Boerderijruïne

De eik

Dit artikel gaat over het gebruik van de eik door de vele eeuwen heen.

Een artikel over de eik zou je in een blad van Staatsbosbeheer verwachten, niet in een tijdschrift van een historische vereniging. Echter uit archeologische vondsten blijkt dat men het hout van deze boom al negenduizend jaar in gebruik heeft. Niet alleen om zich te verwarmen, maar ook als essentieel onderdeel van een onderkomen. Met andere woorden, de eik heeft zeker een historische waarde en is voor allerlei doeleinden te gebruiken.

De eik als soort bestaat niet, vergelijk het bijvoorbeeld met een vlinder. In Nederland komen van oorsprong twee soorten voor, de zeer algemene zomereik en de iets minder algemene wintereik. Voor het verschil tussen beide soorten kun je het beste naar hun gelobde bladeren kijken. De zomereik heeft een korte bladsteel (2 - 8 mm), terwijl de wintereik een langere bladsteel (1 - 3 cm) heeft. Daarnaast is sinds 1825 de Amerikaanse eik op meerdere locaties aangeplant en op sommige plekken zelfs verwilderd. Voor het onderscheid kun je ook naar het blad kijken. Bij de Europese eiken zijn alle lobben van het blad afgerond, bij de Amerikaan hebben ze een spits uiteinde.

De eik heeft een penwortel die diep de grond ingaat. Mede door de gegroefde stam bij oudere exemplaren, is de eik gevoelig voor blikseminslag. De hitte van de bliksem dringt bij een dergelijke schors makkelijker naar binnen en splijt dan de schors van het hout af. Vroeger wist men dat al, getuige het volgende gedicht:

Onder peppels, onder eiken
moet je niet voor de bliksem wijken
maar bij beuken en bij berken
zul je niets van bliksems merken

Men beschouwt de eik als de koning van het bos. Een ereplaats voor in het plantenrijk, vergelijkbaar met die van de leeuw en de arend. Voor veel oude Europese volken, of dat nu de Kelten, de Germanen of de Romeinen waren, speelde de verering van de eik een belangrijke rol. In het oude Griekenland was de eik zelfs gewijd aan de god Zeus. Daarnaast nam men belangrijke beslissingen of sprak men vaak recht onder een statige eik.

De kroezeboom
Aan een zo’n statige eik heb ik leuke jeugdherinneringen, het is de kroezeboom op de Fleringer es. Zelf ben ik in de Noordoostpolder geboren en getogen, echter mijn beide ouders komen uit Twente en veel van onze familie woont daar nog steeds. Mijn vader komt uit Fleringen en als we bij zijn broer in hun ouderlijk huis op bezoek kwamen, speelde ik met mijn neefjes en nichtjes even buiten het dorp bij de meer dan 500 jaar oude zomereik. Maar wat is een kroezeboom?

De kroezeboom speelde vroeger een belangrijke rol in het dorpsleven en diende als grensbaken bij een rechtvaardige verdeling van de es. Maar hij stond vooral symbool voor de hele dorpsgemeenschap. Overleden personen droegen ze er langs, zodat de dorpsgenoten daar afscheid konden nemen. De naam kroeze komt van het woord kruis. Niet in religieuze zin, maar het staat voor grens of kruispunt. Dergelijke bomen komen op enkele locaties in ons land nog voor.

Het bijzondere aan de kroezeboom in Fleringen is dat er onder zijn kroon een kleine kapel staat. Deze kapel is aan het begin van de 20e eeuw daar gebouwd. Echter in de 16e en 17e eeuw stond daar het hilligen huesken. Het was de periode van de reformatie en daarom hield de lokale katholieke bevolking bij dit kapelletje in het geheim hun erediensten.

Hoewel de exacte leeftijd van deze kroezeboom niet bekend is (schattingen lopen uiteen van 700 tot 1000 jaar) behoort deze eik tot de oudste van ons land. Vanwege zijn ouderdom is hij inmiddels verstevigd met de nodige stalen pinnen.

Toepassingen van eikenhout
Waar de eik vooral bekend omstaat, zijn de brede toepassingen van het hout. Het is in gebruik voor kozijnen, deuren, drempels en in de constructie als draagbalken voor monumentale gebouwen. Vanwege de duurzaamheid zijn eiken palen ook bij afrasteringen en hekken te gebruiken. Vanuit milieu-oogpunt kan men eiken palen zelfs beter gebruiken dan de verduurzaamde grenen palen. Eiken palen hebben namelijk van nature een grote weerstand tegen rot. In situaties waar hout met water in contact kan komen, is eikenhout ideaal.

De houten spoorbielzen, die de Nederlandse Spoorwegen in gebruik hebben of hadden, zijn ook van eikenhout. Voor een groot deel kwam dit hout uit Frankrijk en ze zaagden het aldaar al op maat voor de NS. In Nederland lag het hout nog eerst gedurende negen maanden te drogen. Na het kepen en boren verduurzaamden ze het hout tot slot met creosoot. Dergelijke spoorbielzen gingen op drukke treintrajecten ongeveer twintig jaar mee, om daarna op een rustiger traject nog enige jaren tijdelijk dienst te doen. Tot slot kregen sommigen in een siertuin nog een derde leven. In de hoogtijdagen van de eiken spoorbielzen gebruikte de NS jaarlijks 250.000 stuks! Niet alleen bij de bouw of voor buiten, ook binnen is eikenhout geliefd. In ieder geval tot voor enkele jaren geleden. Als je toen geen eikenhouten meubelen in huis had, telde je niet mee. Meubelbedrijven (IKEA bestond toen nog niet) maakten er zelfs speciaal reclame voor.

Eikenhout voor scheepsbouw
Het mag geen verrassing zijn dat Nederland mede door de scheepvaart groot en welvarend is geworden. Met name ten tijde van de VOC voeren onze schepen over alle wereldzeeën. Toentertijd waren alle grote zeilschepen van hout gemaakt, de Industriële Revolutie moest immers nog plaats vinden.

Voor het maken van zeilschepen was veel hout nodig. Heel veel zelfs! In de 17ᵉ eeuw was voor het bouwen van één koopvaardijschip, ter grootte van het VOC-schip de Batavia van 800 ton, een hoeveelheid hout nodig van 1800 kubieke meter. Dit komt overeen met bosoppervlak van ongeveer 12 voetbalvelden. In Nederland was in die periode het hout al schaars en kwam voor de scheepsbouw dus meestal uit het buitenland. Voor een deel kwam dit hout als onderdeel van grote vlotten over de rivieren ons land binnen, de rest via speciale houtschepen over zee, onder andere uit Scandinavië en de Baltische staten. Het hout vertegenwoordigde in die tijd ongeveer zestig procent van de kosten van een schip.

Het sterke en duurzame eikenhout gebruikten de scheepsbouwers voor het maken van de scheepsromp. Het dek en de verdere opbouw waren van grenen en vurenhout. De masten van grote zeeschepen waren meestal van pijnbomen. Dit hout is taai en sterk en door zijn buigzaamheid het meest geschikt voor masten. Eikenhout is hiervoor niet geschikt, want het is te zwaar en niet buigzaam. Toentertijd was vooral eikenhout in Nederland al schaars en daarom was het niet vreemd dat in 1602 het stadsbestuur van Hoorn de verordening uitvaardigde dat men doodskisten niet meer van eikenhout mocht maken, maar uitsluitend van Noordsche planken om daarin de lijken te begraven.

Leerlooien
De eik was vroeger de belangrijkste leverancier van looistof voor de leerindustrie. De bast van de eik levert gemiddeld 10% looistof op. Vooral van jonge exemplaren die een grijze gladde stam hebben zonder al teveel schors. Speciaal voor deze industrie heeft men toentertijd zelfs bossen aangeplant, waarin in sommige gevallen zes- tot tienduizend eiken per hectare waren aangeplant. Na minstens tien jaar hakte men dan de stammen voor het eerst af, want daarna begint de schorsvorming. Van die stammen haalde men dan vervolgens de bast af, die na het drogen voor het leerlooien bruikbaar waren. Op de afgehakte stammen konden opnieuw stammen uitgroeien, waarna het proces zich kon herhalen. Het oogsten van de eikenstammen gebeurde in het voorjaar, wanneer de sapstroom op gang was gekomen. Het moest echter wel voor de langste dag van het jaar gebeuren, immers dan kon de resterende stam nog voldoende uitbotten om de volgende winter te kunnen overleven.

Het schillen van de stam gebeurde op twee manieren. Nadat de stammen in hanteerbare stukken waren gezaagd, klopte men op het hout waardoor de bast los kwam of men verwijderde de bast met een blekstek. Dit gereedschap is een scherpe stalen lepel, dat aan een steel bevestigd is. Het kale hout werd verkocht als talhout (in bundels van honderd stuks) om onder andere als brandhout te dienen. Omstreeks de jaren vijftig van de vorige eeuw kwam er een einde aan het produceren van dit zogenaamde eikenhakhout. Overigens gebruikte men niet alleen de eik voor het leerlooien. Andere bomen produceren eveneens looistof. Zo gebruikte met de bast van de wilg voor het looien van handschoenleer en de bast van de lijsterbes om het leer een bruine kleur te geven. Leerlooien met extracten uit de bast van de eik zijn milieuvriendelijker dan de moderne chemische middelen, die onder andere chroomverbindingen bevatten.

Vikingen

Hoewel de Vikingen in ons land weinig hebben achtergelaten, toch even een klein uitstapje naar hun tijd. Ik heb namelijk een persoonlijke interesse voor dit volk. Geregeld ben ik in de Scandinavische landen geweest en heb hun nalatenschap aldaar regelmatig kunnen bewonderen. De Vikingen maakten namelijk veel gebruik van eikenhout, bijvoorbeeld voor hun karakteristieke schepen en hun traditionele langhuizen. Het meest fraaie Vikingschip is het Osebergschip. Het werd in 1904 gevonden in een omvangrijke grafheuvel op een boerderij in Tønsberg, zo’n 100 km ten zuiden van Oslo. Dit zeevaardige schip is bijna volledig uit eikenhout vervaardigd, circa 22 meter lang, 5 meter breed en ruim 1200 jaar oud. De boeg en de achtersteven zijn versierd met prachtig houtsnijwerk. In Oslo bevindt zich het Vikingskipshuset (Viking Schip Museum) waar dit schip te bewonderen is.

De typische langhuizen van de Vikingen bestonden ook voornamelijk uit eikenhout. Het gebouw had meestal een gebogen vorm, geen ramen en het dak leek op een op z’n kop gezette boot. De lengte varieerde van 15 tot 75 meter. De muren bestonden uit eikenhouten planken, bij gebrek aan voldoende hout (bijvoorbeeld op IJsland) gebruikte men klei, plaggen of turf. Binnen was in het midden een grote vuurplaats, met recht erboven een gat in het dak om de rook af te voeren. Langs de muren waren slaapplaatsen aangebracht. Niet alleen een hele familie verbleef er, de opbrengsten van de oogst lagen er opgeslagen en het vee stond er tijdens de winter.

Bijzondere toepassingen
Er zijn enkele bijzondere toepassingen van eikenhout. Een traditionele toepassing van eikenhout in de voorgaande eeuwen was het gebruik als galg. Volgens voorschriften mocht een galg uitsluitend van eikenhout gemaakt zijn. Zelfs het gebruik van metalen pinnen voor verbindingen was niet toegestaan en waren derhalve van eiken gemaakt.

Enkele eeuwen geleden gebruikte men bij de bouw van gebouwen en schepen zogenaamde eiken krommers, ook wel kromhout genaamd. Dat zijn stammen die van nature een kromming hebben en voor bepaalde plekken in een constructie erg geschikt zijn. Vooral in ons land en enkele omliggende landen maakte men van krommers gebruik. In de laag gelegen gebieden in onze contreien kan door wisselende grondwaterstanden ter hoogte van de wortels de groei van een stam aan een kant stagneren en daardoor krom trekken. Op de hoge zandgronden bereiken de wortels meestal het grondwater niet en ontstaan er geen krommers. Later teelde men zelfs deze kromme eiken door stammen te buigen of in de gewenste vorm te snoeien. Tegenwoordig zijn krommers vooral nog in gebruik bij de restauratie van oude gebouwen en schepen.

Eikels werden vroeger gebrand als vervanger voor koffie, het zogenaamde eikeltjeskoffie. Het bevat namelijk geen cafeïne. Het recept is als volgt: van de verzamelde eikels verwijder je eerst de harde schil en het bruine vlies. Dan alles in stukjes hakken en dat in het water leggen om het te ontdoen van alle looistoffen. Het water af en toe verversen totdat het helder blijft. Na het afdrogen in een doek de stukjes in een koekenpan zonder vet of olie roosteren. Tot slot met een vijzel tot een poeder malen. Dit poeder kun je, overeenkomstig een DE-melange, voor je bakkie leut gebruiken.

Om met een vrolijke noot te eindigen. Ik denk dat een groot deel van de lezers wel eens een glaasje wijn drinken. Of voor de liefhebber, een cognac of een malt whisky. Eikenhouten vaten zijn voor dergelijke alcoholische dranken onmisbaar. Hun smaak ontlenen ze voor een deel aan de looistoffen in het eikenhout.

Informatie
De meeste informatie komt uit het boek “Natuurlijk bouwen met hout” van Peter Franje en de website over het ontstaan van de Zuiderzee (www.zuiderzeehoorn.nl).