Boerderijruïne

Geelgors

  • Mar 26, 2022 12:00
  • Natuur om de hoek in de Meppeler Courant

Onlangs bezocht ik een goede vriend in Wageningen-Hoog. Hij was vele jaren geleden mijn begeleider op het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek in Wageningen. Na mijn vertrek aldaar hebben we altijd een uitstekend contact onderhouden. Onder het genot van een mok thee met een sprits kwam op gegeven moment een oud boek ter sprake die hij in zijn omvangrijke boekenkast had staan.

Het was een driedelige uitgave met als titel: “De dieren, afgebeeld, beschreven in hunne levenswijze geschetst” uit 1869 en geschreven door dr. L.A.J. Burgersdijk. Ik pakte het tweede deel uit deze serie uit zijn kast, want daarin stonden de vogels beschreven. Al bladerend viel mijn oog ineens op een afbeelding van de haverkneu. Hieronder de exacte tekst uit dat boek over deze vogel en verbaas je over de bijzondere beschrijving ervan in het Nederlands van zo’n anderhalve eeuw geleden.

Onder de vogels, die gedurende den winter, als de sneeuw de velden bedekt, bij de boerenhofsteden en buitenplaatsen komen, om even als de musschen het schrale voedsel magtig te worden, behoort er een, met wezenlijk fraai gewaad, die onder den naam van geelgors, geelvink of haverkneu bekend staat. Hij is ook onder de namen van geelgierst, gierstvink, gerstkneu, in den Tielerwaard onder dien van drifter, in Gelderland van geelgeus, in Noord-Brabant van penneschrijver, in Groningen van geelstjirt bekend.

Hij is een weinig grooter dan een musch, langer en slanker, met langen staart; de bovenkop, voorhals, borst en buik zijn fraai citroengeel, hier en daar met overlangsche vlekken; in den nek is het geel door een groene kleur afgezet; de rug is verder rosachtig groen, de stuit en staartwortel zijn roodbruin, de vleugel- en staartpennen zwartbruin. Bij het wijfje zijn de kleuren veel flaauwer.

Men kan van de gorzen in het algemeen (NB: er komen in Europa 13 soorten gorzen voor) zeggen, dat het sierlijke, flinke vogels zijn, die zoowel met snelheid kunnen voorthuppelen als ook met groot gemak langzamer stappen, en die boogsgewijs vliegen. Zij komen veel op den grond en nestelen ook op den grond of op geringe hoogte daarboven. Zij bewonen over het algemeen het kreupelhout en komen niet zelden in tuinen voor; eenigen zoeken bij voorkeur de nabijheid van het water. Hun voedsel bestaat uit allerlei plantenzaden en insekten; bij rijkelijke voeding kunnen zij zeer vet worden en zijn dan als fijne lekkernij zeer geschat.

Wat nu den geelgors of haverkneu in het bijzonder betreft, deze is in Europa zeker de meest algemeen verspreide soort. Hij is een standvogel, die zelfs in Zweden het geheele jaar door blijft. In den winter komt de haverkneu in de nabijheid der woningen, tot in de dorpen toe; in den zomer bewoont hij meer de grootere en kleinere bossen, doch niet het binnenste, maar de zoomen daarvan. Hij is gezellig en leeft van den herfst af tot den paartijd in troepen bijeen. Zoodra het weder goed is, reeds in April, zijn de vogels gepaard en beginnen aan den nestbouw te denken.

Het nest is uit grassteelen en mos met weinig kunst vervaardigd en bevindt zich in struiken of heggen, zeer laag bij den grond, zelden hooger dan een paar voet geplaatst. De vier of vijf eijeren, die het bevat, zijn op een lichten, witachtige grond met roodachtige vlekjes, adertjes en schrapjes getekend en hebben aan den vogel den in Noord-Brabant gebruikelijken naam van penneschrijver bezorgd. De jongen worden aanvankelijk uitsluitend met insekten gevoerd en daar zeer vele rupsen, die aan het koolgewas schade doen, hiertoe moeten strekken, is de geelgors als een nuttige vogel te beschouwen, al is het ook dat de graan-, vooral de havervelden, dikwijls door hem voor het verkrijgen van voedsel bezocht worden. De geelgorzen broeijen meestal tweemaal ’s jaars.


Terug naar overzicht